Het getal 40 heeft in de Bijbel een bijzondere betekenis. Vaak is het een periode van voorbereiding (Jezus die werd beproefd in de woestijn), verwachting (de tijd tussen Pasen en Hemelvaart) of inkeer (Jona zei tegen Nineve dat de stad na 40 dagen zou worden weggevaagd). Het getal komt ook terug in het aantal dagen dat het regende bij de zondvloed, het aantal jaren dat het volk Israël door de woestijn trok en het aantal dagen dat de reus Goliath de Israëlieten uitdaagt.
Afgelopen zondag zijn we begonnen met te lezen over het leven van Mozes. Zijn leven is ook ingedeeld in drie keer 40 jaar. Over de eerste periode lezen we in Exodus 1:1-2:10: een kind dat er niet mocht zijn wordt op wonderlijke wijze gered. Als hij 40 jaar is lijkt hij in een identiteitscrisis te komen (zie Ex. 2:11-25). Op zijn 80e begint hij aan een nieuwe carrière: van het hoeden van geiten en schapen wordt hij geroepen tot het hoeden van een heel volk (vanaf Ex. 3:1).
We lezen drie zondagen over Mozes, maar tegelijkertijd over het ontstaan van een volk, over hoe een samenleving eruit ziet in Gods ogen en over de rode draad in de Bijbel: verlossing en bevrijding.
Nog voordat ik beroepen werd heb ik eens gepreekt over Exodus aan de hand van een matroesjka, houten poppetjes die hol zijn en waarvan er een heel aantal steeds kleinere poppetjes in elkaar passen. Zoals je steeds een matroesjka pop open maakt en dan ontdekt dat er nóg een pop in zit, en nóg één en nóg één, etc., zo blijven er allerlei lagen en ontdekkingen te doen in de Exodus-verhalen.
De disclaimer vooraf is dus dat we onmogelijk bij alle dwarsverbanden en Bijbelse lijnen stil kunnen staan. We beginnen eraan en hopelijk raakt u net zo verwonderd en verrast als ikzelf over de actualiteit die dit Bijbelboek oproept.

